Ronde van de Blauwe Kei

Met vier bochten op een vijfhoekig parcours van een kilometer lengte is de jaarlijks terugkerende Ronde van de Blauwe Kei een schoolvoorbeeld van een buitenwijkcriterium. Dat de stadsarchitect het stratenplan heeft ontworpen voor auto’s en niet voor huifkarren, merk je aan de snelle afgeronde bochten. Ik realiseer mij dat dit de eerste koers is, waar ik voor de vijfde keer start. Door de ruime opzet van de finishstraat, met de stoep en weg gescheiden door grasperken, staat hier toch altijd wind, en deze keer tegen op de derde parcourszijde. Het startveld bestaat uit veertig coureurs, klaar voor zestig touren om het buurtwinkelcentrum.

Direct na het startsein vliegt de snelheid de lucht in. Achterin begonnen rijd ik al snel aan de staart van een woest kronkelend lint. Passeren of opschuiven is nauwelijks mogelijk, behalve op de lange aankomststraat. Twee-aan-twee de bocht door blijkt enkel in theorie haalbaar. Wringen uit den boze. Na twaalf ronden kletteren vier elkaar aantikkende renners ongelukkig over de licht opgehoogde weghelftscheiding. Na het gezamenlijk melden van de val bij de jury, krijgen alle achtergebleven renners een rondevergoeding, maar de koers wordt al snel geneutraliseerd. Bijna twaalf ronden lang rijden we geregisseerd op inrijsnelheid, totdat het parcours vrijgegeven wordt.

De twee overgebleven koplopers krijgen uiteraard bij de herstart hun voorsprong van een halve minuut terug. Daarna trekt het peloton de roulette weer op gang, voor de vijfendertig resterende ronden. Georganiseerd achtervolgen is lastig op de Blauwe Kei, dus je hoeft geen helderziende te zijn om te weten dat we rijden voor plek drie. Als bij de frequente uitvallen steeds vaker breuken ontstaan besluit ik naar voren te schuiven. Met mijn neus op het stuur vind ik uiteindelijk de aansluiting bij de vijftien voorste achtervolgers. Hierna lijkt het een flipperkast, waarin ik spring op alles wat beweegt. Regelmatig schuift de groep in en uit elkaar als een op hol geslagen harmonica.

Een tiental ronden voor het eind zwalkt mijn voorganger lek gereden de bocht door. Gelukkig kunnen ik en de renners achter mij met enige vertraging alsnog de curve maken. Daarnaast herinner ik mij ook nog een door het peloton stuiterende voetbal?! Het enige wat ik vanaf de voorste gelederen kan doen is wijzen, roepen, inhouden en horen dat het goed gaat. Omdat ik niet van plan ben om de eindsprint aan te gaan, hoop ik mee te kunnen glippen met een slot-attack. Als een thuisrijder en erkend verslagenschrijver reageert op een alleenstaande demarrage spring ik op vinkenslag mee, om net op tijd voor de aanrollende heksenketel als vierde de streep te passeren.

BEELDEN