Trainingsrit Oss 9 februari

De vierde voorjaarswedstrijd in Oss brengt een loeiharde wind schuin van voren, over de lange brede finishstraat. Koud is het niet, maar het miezert zo nu en dan, zodat de bochten nat liggen met gladde putdeksels in het midden. Tijdens het inschrijven zwiept de voortent van de inschrijfcaravan vervaarlijk heen en weer. Dit belooft wat, ik train namelijk nooit onder dit soort omstandigheden. Op de Nijmeegse stuwwal staan bomen en in de polder kom ik nooit, ik fiets er alleen af en toe wedstrijden.

Het aantal inschrijvers ligt met achter in de dertig dan ook beduidend lager. Al in de eerste ronde kiest een eenzame renner het hazenpad, dwars tegen de snoeiharde wind in, een wind die je al na tweehonderd meter op kop, met de staart tussen de benen laat. Eer ik doorheb dat een plek in de waaier toch wel essentieel is en hoe je ook al weer tegen de wind in moet fietsen, zijn acht gewiekste renners vertrokken. Verkennen blijft een goed idee, maar het zou voor mij weinig verschil gemaakt hebben.

Achter de tweede waaier waar ik inzit, blijkt zich een derde gevormd te hebben, welke wij dubbelen. Naar mate de wedstrijd vordert kom ik steeds vaker op kop en merk dat op de finishstraat zeer snel wordt overgenomen. Meedraaien kost ook nog eens minder moeite, dan op het kantje. De kopgroep van acht loopt gestaag tot maximaal een halve ronde uit. Twee plekken over in de top tien. Met nog drie ronden te gaan krijg ik drie renners mee als ik tegen de wind in versnel, waarvan ik er twee alsnog weet te verrassen door de sprint vroeg aan te gaan.